De legendarische Cola Beerenburg-ochtend
Van verhalen naar verdoving: mijn eerste stappen richting gebruik
Als kind verdween ik in verhalen om de werkelijkheid te ontwijken. Later vond ik een andere, snellere manier om te ontsnappen. En die kwam met cola Beerenburg om negen uur ’s ochtends…
Voordat ik ooit een middel aanraakte, had ik al een manier gevonden om te ontsnappen aan de realiteit: boeken. Als kind kon ik volledig verdwijnen tussen de bladzijden. Niet omdat ik zo’n leergierig meisje was, maar omdat lezen me meenam naar werelden waar ik wél wilde zijn. Waar problemen werden opgelost, mensen van je hielden en de hoofdpersoon altijd ergens thuishoorde.
Dat contrast met mijn eigen jeugd — die verre van zorgeloos was — maakte dat ik me anders voelde dan andere kinderen. Ik woonde afgelegen, waardoor ik niet zomaar met leeftijdsgenootjes kon spelen. Terwijl anderen buiten samenkwamen en vriendschappen sloten, zat ik vaak alleen met mijn neus in een boek. Het was mijn veilige bubbel. Een vlucht uit de werkelijkheid.
Ik had geen idee dat die “onschuldige” gewoonte toen al begon als een vorm van obsessie.
Later, toen ik ouder werd rond een jaar of achttien, vond ik iets dat nog beter werkte om te ontsnappen aan de realiteit: drugs.
Wiet gaf me het gevoel alsof ik een warme deken om me heen kreeg van een “vriend” die altijd klaarstond. Eentje die niet oordeelde, niet vroeg hoe het écht met me ging, maar gewoon alles dempte. Ik vond het helemaal het.
Op school gebruikte ik steeds vaker. Meestal na schooltijd — dan ging ik met vrienden chillen en kwam blowen vanzelf op tafel. Soms spraken we ook vóór schooltijd af, maar dan gebruikte ik zelf niet. Mijn vrienden wel.
🥃 De legendarische Cola Beerenburg-ochtend
Er is één ochtend die me altijd is bijgebleven. Voor schooltijd — jawel, vóórdat de eerste bel was gegaan — besloten een paar vrienden “gezellig” te gaan drinken. Om negen uur ’s ochtends stonden ze daar met flesjes cola Beerenburg, alsof het de normaalste zaak van de wereld was.
Ik deed zelf niet mee, want mijn lichaam kon dat spul niet aan en eerlijk gezegd had ik er ook helemaal geen behoefte aan. Dus ik stond er een beetje naast, half verbaasd toe te kijken hoe iedereen vrolijk stond te drinken alsof het een feestje was.
We zaten in het halletje van een woning in een woonwijk, een soort onofficiële chillspot. Eén vriend voelde zich niet helemaal lekker en zakte wat in elkaar op het trapje. Ik vroeg nog: “Gaat het wel?”
Nou… dat ging het dus níét. Hij kotste de hele trap onder. Van boven naar beneden. Als een soort menselijke fontein.
Ik keek hem aan met een mengeling van afkeer en verbazing en dacht: Waarom drink je dan ook als je al weet dat je misselijk bent?
Als er toen camera’s waren geweest, was het gegarandeerd viraal gegaan als: “Beerenburg disaster – school edition.”
In diezelfde periode kreeg ik een relatie met de jongen waar ik verliefd op was. Mijn eerste vriendje. Ik was smoorverliefd, zoals je dat alleen als puber kunt zijn. Met hem gebruikte ik in het begin nog “af en toe” — één keer per maand misschien. Daarna werd het eens in de zoveel tijd door de week. Voor ik er erg in had, waren ook de weekenden gevuld.
Vanaf dat moment ging het snel bergafwaarts. Het gebruik werd niet meer iets wat ik deed… het werd wie ik wás.
Maar dat is een verhaal voor de volgende keer.
👉 In mijn volgende blog vertel ik hoe mijn gebruik zich verder ontwikkelde en wanneer ik echt grip verloor.
Reacties
Een reactie posten